Zoek
Zoek in Sociale kaart
Zoekservice Toegankelijk Nijmegen
Betere Toegankelijkheid in Nijmegen
Meld- en Informatiepunt
Inkomensondersteuning
Zorgwijzer
Spreekuur WAO
Voorlichting op scholen
Voorlichting aan professionals
Parkeren
Vervoer
Woongids Aangepast wonen
Wonen
Werken
Weblogs
Jongerenproject Re-design
Expositie Levenskunst
Ervaringsverhalen
Vacatures
Contact

Home | Over WIG | Nieuws | Nieuwsbrief | Prikbord | Links | Disclaimer
Weblogs | Weblog Annemieke van Noortwijk Vinkenvleugel

"Leven met een vleugje spasticiteit"

Hallo allemaal,

Mijn naam is Annemieke van Noortwijk Vinkenvleugel en ik ben 29 jaar. Ik werk sinds november 2003 bij de WIG, als medewerker van het Meld- en informatiepunt bij de WIG. Door een zuurstofgebrek bij de geboorte ben ik spastisch. Dit houdt in dat ik niet goed kan lopen en ik gebruik onder andere een rollator, een scootmobiel en een trippelstoel.
Verder woon ik zelfstandig, in een appartement in Nijmegen. Ik ben getrouwd met Johan, die dezelfde handicap heeft. We hebben een hulphond; een grote zwarte bouvier die ons helpt met allerlei dingen. Zoals: dingen oprapen, voorwerpen brengen, deuren openen, helpen met opstaan na een val en nog veel meer dingen.
We hebben alleen poetshulp, verder kunnen we, hier en daar met behulp van de hond, onszelf prima redden.
Mijn handicap zie ik zelden als een beperking. Uiteraard baal ik weleens van het feit dat alles bij ons nu eenmaal wat moeilijker en anders gaat als bij een gezond stel, maar over het algemeen weten we dit samen prima op te lossen (en zo niet, dan proberen we er toch een positieve draai aan te geven!). Dit komt natuurlijk ook omdat al mijn hulpmiddelen er voor zorgen dat ik (redelijk) zelfstandig door het leven kan gaan.
Daarnaast heb ik ook nog enkele hobbies: tv kijken, lezen, internetten, uiteten, bioscoop bezoeken, flyballen en wandelen met de hond en familie en vrienden bezoeken. Ondanks mijn handicap ga ik er samen met mijn man vaak op uit (al dan niet in onze aangepaste auto).
Het leven is dus zeer de moeite waard! In deze weblog wil ik graag laten zien wat ik in het dagelijks leven meemaak en wat voor rol mijn handicap daarbij speelt. Ik probeer in te gaan op actualiteiten of juist op dingen die mij persoonlijk raken.
 
Veel leesplezier op mijn weblog!
 
Groeten, Annemieke

  • Niet zielig: 9 december 2009
  • De helpende hond: 16 december 2009
  • Ik verbind u even door: 27 januari 2010
  • Aardige mensen, hoe gaan we er mee om: 17 maart 2010
  • Confrontatie: 14 april 2010
  • Leeglopende ballon:12 mei 2010
  • Mogelijke liefde: 8 juni 2010
  • Lekker sporten: 8 september 2010
  • Pure luxe: 8 september 2010

 


 Pure Luxe

Het is weekend. Mijn man en ik hebben zin in een dagje uit. De stad in, of naar de Ikea, Intratuin, of naar de V&D: het kan gelukkig allemaal. Dat we dit met z’n tweeën kunnen doen, ligt aan de hulpmiddelen. We hebben een auto met een liftje erin, die heel behendig twee scootertjes in de Kangoo takelen. Met de hond er nog bij, zijn we bepakt en bezakt, maar zijn we wel volledig vrij in ons doen en laten.

Helaas merken we al enige tijd dat één van de scooters slecht begint te worden, ondanks de vele reparaties die er aan zijn gepleegd. Een tweedehandse, zwaardere versie kost zo’n 1200 euro. Wat een geld! Ook omdat de aanschaf en de reparaties helemaal voor onze rekening komen. De WMO vergoedt deze scooters niet. Ze zijn voor ons onmisbaar: we kunnen allebei ons hulpmiddel meenemen en kunnen het stadten zo wat langer volhouden. In het straatbeeld kom je ze veel vaker tegen. Menigeen kart op zo’n ding door de stad of door het ziekenhuis.

Toch de gemeente maar even bellen, onder het mom van ’niet geschoten is altijd mis.’ Maar helaas vangen we bot. De mevrouw doet het lacherig af, als: ‘We krijgen hier de gekste vragen’ en ‘We vergoeden wel een elektrische rolstoel.’ Heel fideel van mevrouw, maar aan een elektrische rolstoel hebben we niks. Immers, we zitten allebei met een  handicap en helaas kunnen er naast die elektische rolstoel geen andere hulpmiddelen meer bij. We hebben ook nog even aan een aanhanger gedacht. Eén scooter in de auto, een de rolstoel in een aanhanger erachter. Helaas staat dat niet echt gerant voor een ontspannen middagje uit, om nog maar te zwijgen over het gebrek aan evenwicht, wat het aankoppelen van een aanhanger erg lastig maakt.

Eindoordeel: de oplossing zijn die scootertjes. Ze worden als luxeartikel gezien door de gemeente, maar ook door genoeg buitenstaanders. ‘Ach, eigenlijk is het toch een luxe.’ Oh ja? Je bent getrouwd en je wilt samen een dagje stadten. Heel luxe, dat doet natuurlijk geen enkel echtpaar. Dat wekt redelijk wat ergernis op, kan ik je verzekeren.

Lopend de stad of de Ikea doorslenteren lijkt mij namelijk behoorlijk luxe. Heerlijk wandelen en genieten zonder pijn of vermoeidheid. Gelukkig voor de bevooroordeelden hoeft daar geen WMO aan te pas te komen. Het is namelijk pure willekeur: de één wordt geboren met een gezond lichaam en de ander niet.

Geniet vooral van die luxe. En wij? Wij hopen dat we met hulpmiddelen weer eens lekker de Ikea kunnen leegkopen…


Lekker sporten?

Zo, de zonnebrandcrème staat alweer in de kast en het ‘gewone’ leven is begonnen. We hadden een heerlijke zomer, maar vooral ook erg warm. Daar lag voor mij ook een deel van het probleem. Door immobiliteit, in combinatie met de hitte, zwollen mijn enkels op. Ineens zag ik mijn benen opzwellen tot maatje kamerolifant. Je kent het misschien wel: je steekt je vingers in een verse drilpudding en een afdruk blijft staan. Die ‘drilpudding’ waren mijn benen, zeg maar. De afdruk bleef mooi staan…

Hier moest ik wat mee en ik wist eigenlijk ook al wat, maar ik was in denial. Ik besloot een afspraak te maken met de revalidatiearts. Misschien had zij een (simpel) idee om mijn benen weer naar de normale proporties te laten slinken. Voetjes hoog op de bank, massagetechnieken, you name it, ik stond overal voor open. Nou ja, overal… Ik ben natuurlijk niet van het bewegen, en dat was nu juist wel het plan.

Volgens de revalidatiearts kon ik kiezen. Bewegen, en dan fietsen of lopen. Wat een keuze. Ik besloot dat het dan maar fietsen ging worden, lopen is niet zo goed te doen.
Op een regenachtige middag gingen wij naar Arnhem om een hometrainer uit te zoeken. Mooie modelletjes stonden op een rij. De één nog supersonischer dan de ander. Eén model, 500 euro, verschillende programma’s (ja,je beklimt bijna de Alp d’Huez), kortom, een koopje! Heel mooi allemaal, maar ik kreeg mijn benen niet in de trappers. Sjorren en trekken aan mijn broekspijpen hielp niet. Die onwillige benen wilden niet. Dus koos ik voor een model waar ik- na enig kunst en vliegwerk- wel op weg kon fietsen.

En zo kwam het dat op een middag de fiets werd geïnstalleerd. Dus ja, er staat nu een log ding in de studeerkamer. Ik probeer elke dag een half uurtje te fietsen. Goed voor de conditie en de vochthuishouding. Mijn benen tintelen als ik van de fiets stap: een teken dat de spieren goed hebben gewerkt.

Sommige mensen zien bewegen als een heerlijke manier om je hoofd leeg te maken. Daar heb ik nog steeds andere methodes voor. Ik kijk graag tv, schrijven is mijn lust en mijn leven, een beetje surfen op het net… dat is voor mij ontspanning. Toch stap ik elke keer maar weer op die fiets. Niet ‘voor de leuk,’ maar omdat ik zo gezond mogelijk oud wil worden. Idealisme? Nee, bittere noodzaak.

Morgen weer een half uur fietsen. Voor nu zit ik lekker onderuit gezakt op de bank. Heerlijk ontspannen voor ik morgen weer aan de bak moet.  Proost, op de sportspirit!



Mogelijke liefde

Gisteravond was er een nieuw programma op tv. Ik had er een voorstukje van gezien. Het ging over een blinde man, zonder rechterarm en –been. Hij heeft dan wel protheses, maar ik vond de manier waarop hij liep niet eens zo ‘schokkend’, en dat hij blind was, ach…

Dus ik plofte gisteren voor de buis en zag de leader van het programma ‘Onmogelijke liefde.’ Kort gezegd: Johan is 12 als hij gehandicapt raakt. Hij helpt zijn vader met plaggen steken in de tuin. Met een schop steekt in de grond en hij stuit op een tankmijn. Het ding ontploft en hij verliest daar bij een arm, een been, en hij wordt blind. Een lange revalidatie volgt, maar hij blijft blind en zijn ledematen is hij kwijt. Hij ontdekt dat hij goed is in zwemmen en hij doet met behoorlijk wat kampioenschappen mee. Op één van die kampioenschappen in Duitsland ontmoet hij Leny. Zij is gezond en begeleidt een deelnemer aan het kampioenschap. Johan en Leny worden verliefd. Ze reizen samen weer naar Nederland en de zus van Leny haalt haar weer op om samen naar huis te rijden. Zij ziet Leny in innige omhelzing met een gehandicapte man. Verbouwereerd rijdt ze naar huis. Ze licht haar ouders in over wat ze gezien heeft. Na weken van ruzies wordt Leny het huis uitgezet, ze moet kiezen: óf de liefde óf de band met haar ouders…

Emotionele dweil als ik ben zat ik met tranen in mijn ogen achter de tv. Hoe kan het zo zijn dat je ouders je voor deze keuze stellen en je de liefde van je kind niet accepteert? Ongelofelijk hard… Oké, ikzelf ken ook mensen die redelijk moeten slikken als ze horen dat een kind met een gehandicapte partner thuiskomt. In dit geval kan ik me het voorstellen. Als je gezond bent, en nooit in het ‘handywereldje’ hebt geleefd, kan je je niet voorstellen hoe mensen leven. Alles is erg: als gezond mens heb je alleen je eigen referentiekader. Je kunt je vrij bewegen en als iemand dan een pink mist, vind je dat verschrikkelijk, omdat je lichamelijk alles kunt doen wat je wilt.

Zo vertelt mijn moeder vaak dat, toen ze met mij naar het revalidatiecentrum ging, ze haar ogen uitkeek. Ze kende twee jaar lang alleen mij met handicap en ineens zag ze de één nog beperkter dan de ander. Daar schrok ze van en dan heeft mijn moeder zélf nog een gehandicapt kind. Heb je dat niet dan weet je totaal niet wat je overkomt.

Het is erg confronterend om je dochter dan met een man te zien, die minder kan als je eigen kind en je maakt je zorgen over hoe het in de toekomst moet. Wonen, trouwen, kinderen krijgen… kan dat allemaal wel met een gehandicapte man?

Tot zover volg ik het nog. Wat mij emotioneerde was het feit dat, als je ziet dat je dochter zo gelukkig is, je je kind zo kan afwijzen. Zoals gezegd: Johan was wel blind en miste een arm en een been, maar het is een welbespraakte man, die goed zijn woordje deed. Is een ‘geestelijke klik’ dan niet belangrijker? Je kind komt niet thuis met Miss World of Mister Chippendale, maar draait het dan alleen om uiterlijk? Voor sommige mensen kennelijk wel, en dat deed mij pijn. Nu werd een man die ontzettend veel te bieden had wéér weggezet als een malloot waar geen fatsoenlijk woord mee te wisselen was.

Maar Johan en Leny trokken zich er niets van aan. Ze trouwden en kregen later nog kinderen. ‘Als je het wil, zou ik zeggen: gewoon doen, opperde Johan. En kijk, de drie kinderen zijn allemaal volwassen geworden. Volgens hun oudste zoon vroegen veel mensen of het niet raar was om een blinde vader te hebben. ‘Zij mogen mij uitleggen hoe het is om een ziende vader te hebben.’ En zo is het maar net: het gaat er om dat je met liefde wordt grootgebracht, vind ik.
Leny heeft uiteindelijk nog contact gekregen met haar ouders, maar over de pijnlijk breuk werd nooit meer gesproken. Hoewel haar ouders al zijn overleden, draagt ze het verleden nog steeds met haar mee. Ze wilde immers ook eens horen dat ze het goed heeft gedaan.

Nou, ik zei het gisteravond aan haar, in mijzelf. De band tussen de twee partners is zo sterk dat ze al 25 jaar getrouwd zijn. Ze laten zien dat liefde is wat telt, en dat uiterlijk maar slechts een deel van een persoon is.

Daar gaat het toch om: geluk. Wat een ander vindt is in deze totaal onbelangrijk!


 Leeglopende ballon

Regelmatig doe ik mijn boodschappen. Zo ook gisteren. Ik vind het op zichzelf niet echt boeiend om boodschappen te doen, maar ik geniet er wel van dat ik het zelf kan. Ik rijd op mijn scootmobiel naar binnen en wurm me een weg door de menigte. Ik pak wat ik hebben moet en ik rijd –met de nodige obstakels- naar de kassa.

Ik kan nog niet direct bij de band om de spullen erop te leggen, want de mevrouw voor mij heeft een hele vracht op de band staan. En ja, ik heb geleerd dan even te wachten.
Als de mevrouw voor mij klaar is, zet een ander meisje haar karnemelk en brood argeloos op de band. Ik kijk haar aan en zeg (en dat kwam er onaardiger uit dan ik gedacht had) : ‘Ik was toch zeker aan de beurt?’ De vrouw schrikt zichtbaar en zegt snel dat ze het niet gezien heeft, en ze had gedacht dat mijn spullen al op de band zouden staan. ‘Nee hoor, zeg ik, ik moet ook nog uitpakken.’

En ineens hoor ik achter mij het geluid van een leeglopende ballon. Pffffffffffffffffffffffff. Ah, het is er zo één. Het doet werkelijk het slechtste in mij opborrelen. In plaats van aardig te vragen of zij misschien even voor wil, ze had immers weinig boodschappen, houd ik mijn mond en vraag ik aan de caissière of ze me wil helpen met inpakken. Ze knikt instemmend. Gelukkig! Niet alleen omdat ik dan geholpen word, maar ik pest graag in zo’n geval. De caissière zegt tegen de vrouw dat ze dan maar even naar een andere kassa moet gaan, omdat het even kan duren. Ik vul haar adrem aan: ‘of ze helpt me even, dan gaat het nog sneller.’ Ze zucht, heel zielig: ‘Nee, dan wacht ik wel.’
Normaal gesproken zou ik er niet zo’n lol in hebben als het inpakken wat te lang duurt. Nu wel! De caissière sorteert de boodschappen zorgvuldig en verdeelt ze over twee tassen. En achter me zie ik de vrouw ongedurig wiebelen en op haat onderlip bijten. Tja, had nou toch maar voor die andere kassa gekozen!

Tot overmaat van ramp heeft de caissière moeite met het tillen van de tassen. Een aardige man schiet te hulp en zet de tassen op mijn scooter. En ja, dan is het toch echt klaar. Nu mag mevrouw haar brood en karnemelk afrekenen.
Ik hoop dat ik een beetje van haar kostbare tijd in beslag heb kunnen nemen. Nog nooit vond ik zuchtende mensen zo leuk! Ik hoop dat mevrouw het afrekenen net zo grappig vond als ik, maar ik betwijfel het.

Ben ik erg slecht? Ach, laten we het zo zien: niets menselijks is mij vreemd!



 Confrontatie

In de krant stond laatst een stuk over een restaurant. Je mag daar door een aparte ingang naar binnen als je een rollator hebt. Fijn geregeld, zou je denken. Ware het niet dat het restaurant een aparte ingang heeft omdat (en ik citeer): niet iedereen geconfronteerd wil worden met een rollator. Als ik het niet in een krant had gelezen (tja, ik ga er toch vanuit dat een krant naar waarheid citeert), zou ik zomaar denken dat het een misselijke grap was.

Toegegeven, mij zien lopen achter een rollator is geen porem: ietwat te dik, met kromme rug en uitstekend achterwerk en dan ook nog eens zo mank als wat. Nee, dat soort schorriemorrie heb je beter niet in je zaak. Dan lust je je eten toch niet meer? Gelukkig zie ik mezelf niet al te vaak (voor mijn gevoel loop ik redelijk normaal, maar ja, ik ben niet anders gewend) maar anders zou ik mijn eigen eten ook niet lusten. Voordeel: ik zou wel afvallen!

Maar ik kan het begrijpen hoor: net als al die andere mensen, wil ik niet geconfronteerd worden met een rollator. Het ziet er echt niet uit. Helaas heb ik geen keus. Ik zie het ding elke dag weer. Vaak baal ik er van. Niet even snel ergens naar toe lopen of zonder lastig manouvreren naar je tafel te kunnen rennen. Maar het is wel mijn weg naar vrijheid. Zonder dat ding zat ik alleen nog maar thuis en kon ik van uiteten alleen nog maar dromen. Vandaar dat ik vaak baal van dat ding, maar ik ben ook nog veel vaker blij ben met mijn eigen ‘stalen ros.’

Laatst was ik de hond uitlaten in De Goffert. Op de scootmobiel, met de rollator achterop. Een kind kwam naar me toe en zei: ‘Ben jij oud?’ Ik zei glimlachend: ‘Ik oud? Natuurlijk niet.’ In augustus hoop ik 30 te worden. Oud? Weet dat kind veel… als je op een scootmobiel rijdt ben je oud. Kinderlogica. Nu zou je denken dat een ondernemer volwassen is, maar na het lezen van het stukje ben ik er niet zo zeker van, vandaar: kinderlogica.
Ik zou met veel meer dingen niet geconfronteerd willen worden, hier volgt een lijst…

Ik zou niets te maken willen hebben met mensen die:

• je onophoudelijk aanstaren; (ben ik het zevende wereldwonder?)
• domme vragen stellen; (woon jij in een huis met ‘allemaal van die mensen?’)
• denken dat je achterlijk bent (‘jij lust vast wel een snoepje!’ ‘Nee dank u, kan ik even pinnen?’)
• achter je rug om lachen, of kwetsende opmerkingen maken (zoals daar zijn: ‘Hé mongool’ of’ zoef, zoef’ of ‘kijk dat wijf daar eens, hahhahahahaha!’….)
• je zielig vinden en dan ook zeggen tegen elkaar: ‘Oh kijk hoe erg, zo’n jonge meid!
• twijfelen aan je kunnen (‘Kan je dat wel?’of ‘hoe doe je dat?’ of –ook een leuke- ‘Zeg, als de hond eens lekker hond wil zijn, laat ik hem wel uit hoor.’ Goed bedoeld, maar hoe weet jij dat onze hond nooit eens lekker hond mag zijn. Zolang ik er zelf niet achteraan hoef te rennen, rent hij wat mij betreft de hele Goffert door, heen en terug). Onze hond is meer hond dan welke hond dan ook.
• je mijden omdat je een rollator hebt, omdat ze er niet mee geconfronteerd willen worden.

Dit was nog maar een klein deel van de lijst. Misschien moet ik eens vragen aan de restauranthouder om een aparte ingang te maken voor mensen die ik niet wil tegenkomen. Dan kan ik tenminste rustig eten en mij niet hevig storen aan die mensen die in mijn lijst beschreven staan.

Is dat een idee? Alleen moet de restauranthouder dan ook maar een frietje gaan halen, dan ergeren we ons niet aan elkaar!



Aardige mensen, hoe gaan we er mee om?

Kent u die reclame van die vuilnismannen die een stroopwafel krijgen aangeboden? Een mevrouw biedt twee vuilnismannen een koek aan. Zomaar… De vuilnismannen bekijken het koekje aandachtig; uit het niets een koekje aangeboden krijgen kan toch niet zomaar. Ze concluderen dat de stroopwafel over de datum moet zijn en mikken hem-zonder pardon- in de vuilniswagen. Of die schoonmaakster die de galerij staat te vegen en die vriendelijk hallo zegt tegen iemand die haar appartement binnengaat. De bewoonster kijkt eerst in het rond, alsof er niemand aanwezig is die haar zou kunnen groeten.

Dit zijn beide voorbeelden van de campagne van SIRE ‘Hoe gaan we om met aardige mensen?’ Zo ver zijn we dus al; als mensen aardige bedoelingen hebben worden we argwanend.
Ik maak het van alle kanten mee. Zoals die ene keer dat we boodschappen aan het uitladen waren. Johan had een tas in zijn hand, verloor zijn evenwicht en smakte tegen de grond. Een buurman, die in de tuin aan het werken was, keek op om vervolgens door te gaan met schoffelen. Ik riep hard: ‘Van je buren moet je het maar hebben!’ Ik werd daar toen erg kwaad om… Kijk, dat niet iedereen sterk genoeg is om je overeind te helpen, snap ik, maar om eerst met grote ogen te kijken naar het gebeuren en dan weer verder te schoffelen, vind ik wel raar. Haal dan hulp of zoiets. Gelukkig liep het goed af, Johan krabbelde zonder kleerscheuren weer op.

Of die ene keer dat het druk was in de supermarkt en ik zelf de boodschappen wel even in de tas zou doen. Ik hoorde een hoop gezucht en gesteun achter me. Daar heb je weer zo’n scootmobieler die ellenlang over afrekenen doet. Ja, die slome scootmobieler ben ik! Ik heb geleerd me er niets van aan te trekken… Misschien doe ik dan juist wel extra lang over het inpakken van boodschappen, kun je lekker nog harder zuchten! Je kunt me helpen, als je het echt super vervelend vindt. Maar nee, dat doen de zuchters achter me niet, die hebben het te druk met hun eigen boodschapjes. Ook goed, maar dan moet je maar even wachten.

Gelukkig bestaan er ook nog aardige mensen. In het weekend waren we op bezoek bij vrienden. Heel gezellig en tussen koffie en borrel besloten we te gaan wandelen. Johan en ik maakten gebruik van onze vouwscooters. Ideaal voor zulke gelegenheden, maar helaas niet erg stabiel. Mijn vriendin en haar vriend liepen mee. Ik kletste gezellig en tussendoor moest ik nog wel even een stoeprandje af. Niets bijzonders dacht ik nog ,maar ik kiepte om, omdat het randje toch te hoog was om zomaar te nemen. Ik voelde me omgaan en ik kom er niets aan doen. Ik dacht nog in een flits: ‘Goh, ik ben allang niet meer gevallen.’ Die gedachte hielp natuurlijk geen zier, maar ja… Daar lag ik: gelukkig ongedeerd. De muis van mijn hand was hooguit wat rood en pijnlijk. Gelijk kwamen de vragen: ‘Wat gebeurde er nou?’ en ‘Doet het pijn?’ Gelukkig niet… Op zo’n moment vind ik mijn overgewicht zo erg nog niet. Het zorgt ervoor dat ik in (bijna) 30 jaar vol valpartijen nog nooit iets heb gebroken.  Maar de vraag was: hoe kom ik nu weer hoog? Ik ben niet de lichtste en de heer des huizes heeft z’n hand in het gips. Lang tijd om na te denken was er niet. Achter me stopte een busje. Er kwamen twee mannen uitgerend die me in no time weer recht overeind hadden staan. Ik kon ze niet vaak genoeg bedanken. Wat ontzettend aardig! Die mannen mogen van mij in het reclamespotje! Aardige mensen, ze bestaan nog.

En mijn vriendin en ik hadden weer wat te lachen. Jaren geleden struikelde ik bij dezelfde familie eens over een matje. Ik maaide nog net niet de kristallen glazen mee. Dat verhaal doet het nog steeds goed op verjaardagen, bruiloften en partijen. Nu kan ik, lachend, nog wat aan mijn repertoire toevoegen!



Ik verbind u even door
 
 
Als ik vorig jaar de gemeente belde met een hulpvraag of een vraag van mijzelf, werd ik keurig te woord gestaan door iemand van het loket WMO. Niks aan het handje en prima geregeld. Sinds kort heeft de gemeente haar beleid veranderd. Er is geen rechtstreeks nummer meer, nee, je krijgt altijd de algemene balie aan de lijn. Zij filteren de telefoontjes. Simpele vragen worden direct beantwoord, over complexere vraagstukken word je teruggemaild of -gebeld.
 
Laatst had ik op het werk hulpvraagster X aan de lijn. De mevrouw krijgt begin januari altijd een deel van haar vervoerskostenvergoeding uitgekeerd. Alleen het was nu al half januari en ze had nog steeds niets ontvangen. Wanneer kon ze dit verwachten? Een heel simpele en terechte vraag, vond ik. Ik vermoedde dat het uitkeren een beetje verlaat was en zei dat ook tegen haar. Vorig jaar was het namelijk het geval. Toen kreeg ik bij navraag snel en correct antwoord en kreeg het bericht dat het uitbetalen wat verlaat was, maar dat dat goed zou komen. Na enkele dagen kwam het ook goed.
 
Dit jaar zou het vast niet anders zijn, maar om zeker te zijn, belde ik de gemeente. Vol goede moed belde ik met het algemene nummer. Er werd een geboortedatum gevraagd. Ik vertelde nog dat het een algemene vraag was… maar het mocht niet baten… Nee, er moest een naam en een geboortedatum komen. Oké, die datum had ik nog niet. Ik belde mevrouw X. op en verontschuldigde me dat ik haar nogmaals lastig moest vallen. Ze gaf me haar geboortedatum en adres. Ik belde de gemeente weer, maar na een paar minuten wachten besloot ik dat het beter was om te mailen naar het Loket Zorg en Inkomen. Zo voorkom je dat je bij alles en iedereen terechtkomt, behalve bij de goeie!
 
Na een paar dagen gewacht te hebben, kwam een e-mail: mevrouw was niet bekend in het systeem. Ah, zou ze daarom het geld niet hebben gekregen? Zou zomaar kunnen. Ik moest bellen voor overleg, maar helaas was de desbetreffende persoon na het weekend niet te bereiken. Pff, ik kreeg iemand anders aan de lijn (ik verbrak daarmee wel het record: ‘met hoeveel mensen word ik doorverbonden’). Nee, mevrouw was niet te vinden.  ‘Mevrouw X’, spelde ik de naam wel goed? Ik dacht het wel. Maar ja, ik begon toch te twijfelen. Ik meende me te herinneren dat ik haar haar naam had laten spellen aan de lijn.
 
(Dat doe ik met mijn eigen naam immers ook, anders herken ik hem zelf vaak niet terug. Dan heet ik ineens Van Noort, Noortwijk, Van Noordwijk, Flinkevleugel, Vinkevleugel of
Vinken-Vleugel (dat was de leukste: ‘is Vleugel uw meisjesnaam?’ vroeg ze nog))
 
‘Nou’, vroeg ik aan de medewerkster: ‘ik geef u nu haar geboortedatum en haar adres, vindt u ook op die combinatie niets?’ Nee, ze vond niets. Ze vroeg ook of mevrouw nog een meisjesnaam had. Ja stom, niet naar gevraagd! Wilt u haar schoenmaat ook weten, had ik bijna gevraagd. Ineens werd de dame aan de telefoon geërgerd en zei: ‘U heeft zich ook slecht voorbereid op dit gesprek!’ Ik voelde me kwaad worden, maar ja, namens de WIG moest ik beschaafd boos zijn. Dus ik opperde dat het in voorafgaande jaren makkelijker was om zo’n simpele vraag te stellen en dat de vriendelijkheid en goede bereikbaarheid ver te zoeken waren.
 
Ineens veranderde de toon. Ik dacht het ook! Ik heb me niet slecht voorbereid, jullie kunnen haar niet vinden! Naam, adres en geboortedatum, wat wil je nog meer? Ze vertelde dat het allemaal heel vervelend was en dat een medewerker mij terug zou bellen. Zo kende ik de gemeente weer! Vriendelijk als altijd. Het was vast een vergissing en een ‘slip of the tongue.’
 
Ik hield mijn hart vast! Achteraf bleek het nergens voor nodig… De mevrouw die later terugbelde had de gegevens goed kunnen vinden. Ze wist mij te vertellen dat mevrouw het geld nu op haar rekening moest hebben staan. Mevrouw blij, ik blij, eind goed, al goed.
 
Wat een bevalling voor zo’n simpele vraag. Ik wil bij deze een oproep doen aan de gemeente:
zouden jullie er voor willen zorgen dat de telefoontjes weer terechtkomen bij de afdeling waar ze horen? Astublieft: geen eindeloos telefoneren en gemail meer. Gewoon weer iemand die even sympathiek je vraag beantwoord.  Vijf minuten aan de telefoon en er hangt weer een tevreden cliënt op . Ik ben tenslotte ook klant en ik wil gewoon weten waar ik aan toe ben.
Namens een heleboel WMO-gerechtigden in Nijmegen: hartelijk bedankt voor uw aandacht!

 

De helpende hond


Twee jaar geleden begonnen we eens te denken aan een hulphond. Ik had op het werk gezien dat het wel makkelijk kon zijn. Dingen oprapen, na een val helpen met opstaan, deuren opendoen en je sokken en je jas uit laten trekken door de hond. Dit alles was vooral voor mijn man een welkome hulp. Maar ook ik kan af en toe wel wat hulp gebruiken bij het oprapen van onbereikbare spullen.

We gingen vol goede moed een traject in. Het was niet makkelijk, maar na een poos was het dan zover: we zouden een hond krijgen! Ik zag me al op de bank zitten, lekker kroelen met een labrador of een golden retriever. Ik was er helemaal klaar voor…

Totdat de stichting belde. Ik hoopte op een chocoladebruine labrador met dito ogen. Al wist ik ook dat het hebben van wensen in dit geval vrij onbenullig was. Maar ja… wat was er nu mis met een labrador? Mijn man naam de telefoon op en ik zag hem grijnzen. Na het telefoongesprek vertelde hij over de hond: groot (ach, een uit de kluiten gewassen reu) en zwart (nou ja, dan maar niet choco-bruin), krullen (huh?) en een baard (kennelijk toch geen lab). Wat voor hond was dit?

Al snel kwam ik erachter, het werd een bouvier. Ik vond heel veel hulphonden leuk, maar een bouvier? Als kind kwam ik veel op boerderijen en daar was zo’n hond uitermate waaks en blafferig… Niks voor mij!

Na de trainingsweek klikte het aardig met onze hond en hij mocht mee naar huis. Het was wel even wennen, maar al snel raakten we ingespeeld op de hond. Bovendien kwam ik achter een aantal voordelen van zo’n grote hond. Waar wíj anders nogal eens werden aangestaard, kijken mensen nu naar de hond (vertederd of bang, maakt niet uit, ze kijken naar hèm). Als je een winkel ingaat nemen mensen je serieuzer: ik weet niet waar het aan ligt. De mensen krijgen echt geen hap van de hond als ze me uitlachen. ’s Avonds ga ik nooit meer bang over straat, als de hond erbij is. Als de iemand al het in zijn hoofd haalt om me tegen de grond te werken (al grap ik vaak dat het dan een lilliputter moet zijn… dan kan ik ‘m tenmiste nog een knietje geven. Hoger komt mijn been eenvoudig niet!) dan laat de hond op z’n minst zijn tanden zien.

Of mensen zijn bang… Superhandig als je je ergens tussendoor wil wringen, maar er staan lopers in de weg. De aso in mij ontpopt zich, ik zeg in alle onschuld ‘Pardon!’ Mensen kijken en zien een jonge meid in een elektrisch ‘karretje.’ Dan ontdekken ze mijn hond. Een echte kynofoob springt gewillig aan de kant. ‘Dank u wel!’ roep ik ze na.

Ook is het schokeffect super! Ik rijd erg vaak door de stad en dan hoor ik zo regelmatig: ‘zoef, zoef!’ Zo origineel! Ik stoor me er niet aan, maar ik vraag me af of mensen nu daadwerkelijk geen betere humor hebben. Met hond hoor ik vaak: Wow, wat een stoere hond! En dan rijdt deze jonge meid op de scootmobiel met stoere hond trots voorbij! Als ik mensen kan shockeren op zo’n manier zal ik het niet nalaten… heerlijk!

Dus buiten de meerwaarde van de praktische zaken die een hond voor je kan verrichten, veranderd het ook de kijk van mensen op jou als persoon. Hoewel ik eerst twijfelde aan ‘de Vlaamse koehond’ zoals een bouvier wordt genoemd, ben ik hem dankbaar voor de dingen die hij doet. Dat gevoel overvalt me maar al te vaak: als ik de telefoon weer eens onder tafel heb laten vallen, maar ook als ik een 16- jarige jongen tegenkom, die zijn flauwe opmerkingen maar even inslikt!



Niet zielig


In een artikel lees ik over een stichting die gehandicapte en niet gehandicapte kinderen in contact brengt met elkaar. De kinderen spelen met elkaar. Leuk, maar één jongen zegt over zijn dove vriendjes: ‘Ik vind het ook best zielig. Je gaat eigenlijk vanzelf praten, maar dan begrijpen ze je niet helemaal. Ik probeer dan met gebaren te praten. Dat is wel lastig. Iemand die niet kan horen is ook gewoon een mens. Ik zou ook best wel een vriendje kunnen hebben die doof is’.

Toen ik dat las moest ik denken aan mijn vriendinnetjes op de lagere school. We hadden een speeltuin achter ons huis, waar we vaak tikkertje deden. Een ongelijke strijd, maar dat deed er voor mij niet toe. In het begin zat ik vaker aan de kant dan dat ik meedeed. Niet echt leuk… En dus hadden mijn vriendinnetjes een andere methode bedacht. Ze gingen niet meer als eerste achter me aan en zo kon ik langer meedoen. Nou ja, dat was dan nog tot daar aan toe. Toen ze echter in een soort van slowmotion achter me aan hobbelden, kreeg ik last van plaatsvervangende schaamte. Tik me dan maar gewoon af. Ik ben niet zielig omdat ik eerder afben, maar laat me gewoon meedoen.

Of die ene keer dat ik als kind op een draaischijf zat die aangeduwd moest worden. Ik was met mijn klasgenootjes in een pretpark en een ander kind duwde zo hard aan de schijf dat ik er van af viel. Ik klom er weer op en viel er nog een keer af, en nog een keer. Mijn klasgenootjes waren boos op het kind dat duwde. Want zielig was het wel, dat ik er telkens werd afgeduwd. Na drie pogingen bedacht ik me –met schaamrood op de kaken- dat het wel eens aan mijn evenwicht zou kunnen liggen dat ik er nu weer naast lag. Zo zielig was het dus niet, maar gewoon een inschattingsfout van mijn kant met een vleugje ‘willen doen wat een ander ook doet.’

Mensen kijken zo vaak meewarig naar je. Laatst was ik eens in een lampenzaak. Ik moest € 3,75 betalen. Ik heb altijd een hekel aan het betalen met muntgeld, omdat het altijd een gezoek is in mijn portemonnee en dat duurt nou eenmaal langer. Maar dit keer was ik moedig en waagde ik het erop. En het was even zoeken, maar het zat in mijn portemonnee. De caissière bekeek me meewarig en keek vervolgens maar even mee in mijn beurs. Als ik op dat moment niks gezegd had, had ze het geld zelf wel gepakt! Pardon? Je geld krijg je best hoor. Ik dénk het altijd, maar durf het nooit te zeggen. Want dan ben je ineens een bitch. Mensen willen alleen maar helpen, zeggen ze dan.

Het toppunt was toen we jaren terug op Texel op vakantie waren. Nu moet u weten dat mijn man en ik beiden niet goed lopen. Het ziet er altijd heel swingend uit als we ergens binnenstappen. Meestal krijgen we bewonderende blikken. Soms vervelend: maar steeds vaker denk ik: ’Alleen wij weten hoe we in het leven staan.’ Op Texel was het goed raak… We gingen zitten en dat duurde even. Het uittrekken van de jas ging evenmin soepel, maar eindelijk zaten we dan aan ons tafeltje. Het was ons niet opgevallen dat we in het oog sprongen, want we hadden gewoon trek.

Totdat de ober kwam om onze bestelling op te nemen voor het toetje. ‘Dat wordt jullie aangeboden door die meneer.’ Hij wees op een man met een snor. Hij leek zo uit de jaren ’70 te zijn gewandeld. We hebben maar een kopje koffie en thee besteld en we zijn gauw weggegaan. Ik was gekrenkt, beledigd! Hoe kon die man dat nou doen? Wist hij dan niet dat wij ook lekker op vakantie waren en dat we zelfstandig kunnen leven. Een kop koffie kunnen we zelf ook nog betalen... Ik heb maar niet gevraagd of meneer een miljoentje overhad, want dat kunnen we wel goed gebruiken! In dat laatste geval laat ik mijn principes graag varen!

Naar boven